Heksenverhalen uit Mierlo

Heksenverhaal 1 uit Mierlo/Lierop

Een waar monsterproces.
Vijfentwintig jaren geleden had zij een leugen bevestigd met de woorden: ’dat zij den duivel lijf en ziel overgaf’. Het is een voorbeeld van de wijze waarop een onnozel mens eerst dacht dat ze aan de Duivel vervallen was; en vervolgens dacht alles beleefd te hebben, wat volgens het volksgeloof hoorde. Zij noemde ook verscheidene vrouwen, met wie zij op Sint-Janskerkhof had gedanst. De pijn wrong haar de namen van anderen uit de mond; en dezen wederom van anderen. Van Mierlo sloeg de razernij naar Lierop over. Bij de waterproef dreven allen, behalve een vrouw van dertig jaar en een van de slechts twee mannen, die beschuldigd waren. Deze beide werden dan ook vrijgelaten. Vijftien in 't geheel – allen straatarm;
Ze werden berecht en omgebracht. Sommige smeekten op een korte dood, anderen voor een geheimhouding van de berechting zodat haar kinderen niks verweten kon worden.
Een stierf aan de pijniging die haar onschuld tot in de dood volhield . De heer van Lierop – maar al te waarschijnlijk meer door hebzucht dan bijgeloof gedreven – liet ook sommigen voor grof geld 'compenseren', het afkopen van de straf.
Al de anderen bekenden in hoofdzaak 't zelfde. Zij hadden ieder een duivel tot minnaar. Deze vrijers beloofden veel geld en goed van deze wereld, maar hebben dat niet gegeven en lieten hen het Christendom of kortweg God verloochenen. Ze voerden haar ten dans, in 't 'oude goor' te Mierlo en elders in de omgeving of wel leerden haar daarheen te vliegen met behulp van een zalf, gemaakt uit mensenvet van het kerkhof gehaald, waarmee ze zicht moesten insmeren.
De enige man, die bij de waterproef dreef en dientengevolge op de pijnbank gebracht werd, had natuurlijk een duivelse minnares gehad; zij heette Serpens, verscheen hem als een vrouw 'fraai gekleed en had schoon lang lobben aan'; en gaf hem geld dat later in ronde bladeren veranderde; De 'heksen' kenden ook allen een gebedeken van toverie, dat zij zeer gedienstig de gevangenbewaarder leerden. Deze zei het voor schout en schepenen gedeeltelijk op:

's morgens als ik opsta,
in mijnen groenen gordel dat ik ga,
hooch, leech, berch, dael,
bies, bout (?) so menichfout,
door dat wilt wout,

verder durfde de brave stokbewaarder niet gaan 'om niemant te scandaliseren; en datter in gelegen is groot peryckel'. 't Is de vraag of wij er veel bij verliezen. Zéér oud is het versje zeker niet, reeds om 't eindrijm, al komt er dan ook tevens – maar mogelijk onbedoeld – aanrijm in voor. Ook taal en metrum (of liever 't gebrek daaraan) wijzen op de 16e eeuw. Misschien was 't niets dan een 'aftel-' of ander kinderrijmpje, dat de stumpers jaren her hadden geleerd, en nu in hare verbijstering voor een tooverspeuk hielden. Want dat zij geheel in de war waren, blijkt voldoende uit iets zeer merkwaardigs: ze konden geen van allen schreien – voor den schout een afdoend bewijs van schuld. (Dit wordt uit Boguet aldus toegelicht, dat de duivel den toovenaars en heksen 't schreien belet, omdat tranen, volgens Bernhard van Clairvaux, Gods toorn verzachten).
Sommige betooverden of ouders van betooverde kinderen lieten zich zelf of deze door de gevangenen 'zegenen' (één spreekt van 'ontsegenen') om genezen te worden; deze geloofden dus niet, dat zoodanige zegening, om van kracht te zijn, in vrijheid moest geschieden. Wèl geloofde dit, naar 't schijnt, een boer, wiens koeien betooverd waren en die al zijn buren opriep om ze te 'zegenen' met de woorden: 'God segen die koeyen ende de goede Sint-Bree'; één vrouw zeide, denkelijk bij ongeluk: 'Heer huedt de koeyen!', waarop de eigenaar haar vroeg welken heer zij bedoelde? 'want datter veel heeren waren'. Ontsteld liep de vrouw weg – en bracht daardoor zich zelven en eenige anderen op den mutsaard.

Heksenverhaal 2 Mierlo

In 1595 woedde de heksenziekte in Mierloo. Het begon met de maerte van den pastoor, die den heer van het dorp had betooverd, door hem peren te geven, en een kind ziek had gemaakt, door het te liefkozen. De ongelukkige bekende. - Vijf en twintig jaar geleden had zij een leugen bevestigd met de woorden "dat zij den duivel lijf een ziel overgaf"; sinds dien dag had hij haar altijd zoeken te "becoren", en nu voor acht jaar, toen ze in den Bosch bij den bisschop diende, had ze een verbond met hem aangegaan. De pijn wrong haar weer namen van andere heksen uit den mond, heksen uit den Bosch waarmee ze op het Sint-Jans kerkhof had gedanst, en heksen uit de omgeving. Van Mierloo sloeg de ziekte over naar Lierop en Asten. Alle gevangenen moesten de waterproef afleggen; ze werden, alleen met een hemd bekleed, terwijl hun voeten en handen kruiselings waren saamgebonden, bij de waterkant neergelegd, en er toen zijdelings ingestooten. Ze sloegen terstond om en dreven op hun rug. Zonneklaar was nu bewezen, dat ze heksen waren; want het verbond met den duivel maakt den mensch de helft lichter. De eenige vrouw die zonk, werd opgehaald, terstond vrijgelaten en zelfs schadeloos gesteld. Vijftien werden er verbrand; zij die berouw toonden, vooraf geworgd. Een stierf aan de pijniging, tot in den dood haar onschuld volhoudend. De heer van Lierop - wien hebzucht meer dan bijgeloof dreef - liet ook sommigen voor klinkend geld "composeeren", d.i. geding en straf afkopen.

In hoofdtrekken bekenden zij 't zelfde. Een van de duivelen der helle bezocht haar vaak; hij was gewoonlijk in 't zwart gekleed met een gepluimden hoed; en droeg een fraaien naam: Barlebos, Belzebuth, Eenhoorn, Croeshaen, Lucife, Malcus, Reyn, Reynau, Sathanas en Struys heetten die "vianden", ze beloofden hen veel geld en goed van deze wereld, "maer (hebben) haer nijet gegeven". Natuurlijk moesten ze God verloochenen, ook werd hen 't chrisma van het voorhoofd genomen, en dat deed geen pijn. De duivels voerden hen ten dans: in 't Oude Goor, te Mierloo, te Marsel, bij den molen van Lierop, bij 't Cromven te Asten, of in 't huis van den pastoor (sic!) te Helmond. Zij leerden hen ook heksenzalf maken; daarmee wreven ze zich in, en vlogen dan, door de lucht, naar de heksensabbath. Soms reden ze ook op zwarte paarden "leech over die heyde". De heksen bekenden menschen en vee te hebben gedood, door hen haren in het lichaam te tooveren, met de woorden: "dat u den duyvel dit in 't lijff vuere". Ze hadden geen macht over iemand, die hen wat gegeven had "om Gods wil". Wie dat echter achterwege liet, die moest er aan gelooven; want ze vergolden 't liefst kwaad met goed.

Ze kenden ook gebedeken van toverie, dat zij den gevangenbewaarder leerden. Die zei 't voor schout en schepenen op:

's morgens als ik opsta,
in mijnen groenen gordel dat ik ga,
hooch, leech, berg, dael,
bies, bout, so menichfout,
door dat wilt wout.

't Vers was nog niet ten einde, maar de brave stokbewaarder durfde niet verder te gaan "om niemand te scandaliseren; en datter in gelegen is groot perijckel. [gevaar]

 

 

Bekijk de online routekaart.